De voorjaarsontwikkeling

From knowledgebase
Revision as of 18:36, 4 March 2023 by Dirkjan (talk | contribs)
Jump to navigation Jump to search

Vanaf begin januari legt de koningin al een honderdtal eitjes en heeft het volk een heel klein broed nest, ongeveer 2- 4 dm2 broed verdeeld over 1 of 2 raten. Zolang het koud weer blijft en bijen nauwelijks uit kunnen vliegen, blijft dat broed­nest klein. Bij een lang en koud voorjaar kan dit wel tot begin april zo blijven. Pas als hogere temperaturen het mogelijk maken dat de bijen echt uit kunnen vliegen verandert dat. De eerste bloemen bloeien dan ook en er kan stuifmeel en nectar verzameld worden. Dat is het beginpunt van de voorjaarsontwikkeling met een snelle groei van het broed nest (eitjes, larven en poppen) en daarmee van het aantal bijen in het volk. Als deze groei eenmaal is begonnen, zet deze door en wordt weinig beïnvloed door weersomstandigheden.

Als het volk dan over te weinig voedselvoorraden beschikt en deze door slecht weer niet aan kan vullen, loopt het volk gevaar te verhongeren. Een snelle groei van het broednest betekent dat er veel larfjes met eiwitrijk voedersap gevoed moeten worden. Aanvankelijk komen de daarvoor benodigde eiwitten uit de lichaamsreserve in het eiwitvetlichaam van de werksters zelf. Later halen ze het uit het vers verzamelde stuifmeel. Ook heeft het bijenvolk veel water nodig om de honing, als voer voor de larven, te verdunnen en om de luchtvochtigheid van het broed nest te regelen.

De bijen die in het najaar geproduceerd waren en de winter hebben overleefd, gaan in maart-april dood. Er is daardoor eerst een afname van het aantal bijen, maar daarna een snelle toename met jonge bijen.

De koningin gaat steeds meer eitjes leggen. Aan het einde van de voorjaarsontwikkeling loopt dat op tot ongeveer 2000 eitjes per dag. Dit is mogelijk doordat de werksters in De hofstaat, een krans van telkens 5- 12 andere bijen, de konin­gin voeden met veel eiwitrijk voedersap. Tegelijk nemen de werksters daarbij koninginnenstof van haar over die daarna door deze werksters verder in de kolonie wordt verspreid. Alle bijen zijn daarmee geïnformeerd dat de koningin aanwe­zig is. Zolang werksters onder invloed staan van deze konin­ginnenstof zetten ze geen zwermcellen aan. Het bijenvolk bestaat inmiddels uit ongeveer 20.000-30.000 bijen.

De groei van het volk gaat vanzelf

De imker moet alleen erop letten dat het volk

  • voldoende ruimte heeft: raten voor broed, om op te zitten en vooral voor honing.
  • voldoende voedselvoorraad heeft met name bij veel slecht weer eind maart, begin april.

Voorraad

Het bijenvolk kan er niet op vertrouwen dat er in de natuur altijd voedsel beschikbaar is. Om toch dagelijks over voedsel te kunnen beschikken legt het bijenvolk voorraden aan. Rond het broednest wordt een voorraad stuifmeel (Bijenbrood) aangelegd, genoeg voor ongeveer twee weken. Boven en om het broednest wordt een honingvoorraad opgebouwd. Daar lijkt geen grens aan te zijn. Zolang er lege cellen zijn en er nectar gehaald kan worden, bouwen de bijen verder aan hun honingvoorraad. Is er toch gebrek aan stuifmeel dan kunnen eitjes en larven opgegeten worden, het zogenaamde broedkannibalisme. Een signaal daarvoor is het ontbreken van voorraden stuifmeel.

Onderdeel van de Jaarcyclus