Jaarcyclus

From knowledgebase
Revision as of 18:29, 4 March 2023 by Dirkjan (talk | contribs)
Jump to navigation Jump to search

Honingbijvolken zijn langlevend, d.w.z. dat ze het hele jaar, ook in de winter, als kolonie overleven. Dit in tegenstelling tot hommels die alleen een kolonie hebben van april tot september en waarbij alleen de jonge koninginnen de winter overleven, in een winterslaap in een holletje in de grond.

Een honingbijvolk bestaat uit één koningin die de eitjes legt en duizenden werkbijen die allerlei taken uitvoeren. In het voorjaar en zomer horen daar ook nog enkele honderden darren bij. Het volk leeft in een holte of kast die bescherming biedt tegen slecht weer en vijanden en waar ze hun raten van was bouwen. De raten gebruiken ze als meubilair om op te 'zitten', als kraam­kamer voor het opkweken van nieuwe bijen en als voorraadkast voor de opslag van het voedsel (honing en stuifmeel). Als zo'n bijenvolk in de natuur voldoende voedsel kan vinden dan heeft het geen imker nodig om te overleven en zich voort te planten. Het bijenvolk heeft een jaarcyclus die beinvloed wordt door de aanwezigheid van bloeiende planten en de temperatuur.

De jaarcyclus van het bijenvolk in vier perioden

In de jaarlijkse cyclus van een honingbijvolk zijn vier kenmer­kende perioden te onderscheiden. Behalve in de zwermtijd is er geen scherpe overgang van de ene periode naar de andere en zijn de veranderingen geleidelijk. De perioden zijn:

  1. De voorjaarsontwikkeling: met hogere temperaturen en het verschijnen van bloemen groeit het bijenvolk .
  2. De voortplanting met de zwermtijd: productie van darren en jonge koninginnen en ontstaan van nieuwe bijenvolken door zwermen.
  3. De ontwikkeling in zomer en herfst: het volk bereidt zich voor op de winter met voedselvoorraden en winterbijen.
  4. De overwintering: het bijenvolk vormt een wintercluster om de drachtloze en koude periode te overleven.