Difference between revisions of "De ontwikkeling in zomer en herfst"
(Created page with "category:Imkercursuscategory:De jaarcycluscategory:De jaarcyclus - Hoofdstuk 4") |
|||
| Line 1: | Line 1: | ||
| + | Na de zwermtijd heeft zich zowel in het volk met de jonge koningin in de oude woning als in het volk met de oude koningin in de nieuwe woning, een nieuw broed nest ontwikkeld. In deze volken worden honingvoorraden aangelegd als energiebron voor de winter en blijven de bijen stuifmeel verzamelen. | ||
| + | Kenmerkend voor deze periode (juli-november) is dan ook dat het bijenvolk niet groeit zoals het groeide in het voorjaar, ook al telt het volk veel werksters. Die verminderde groei | ||
| + | is het gevolg van de natuurlijke aanleg samen met kortere dagen, koeler weer en minder productieve voedselbronnen. De koningin legt langzamerhand minder eitjes en darrencellen worden niet meer gebouwd en belegd. Het broed nest wordt almaar kleiner en er worden dus steeds minder jonge bijen opgekweekt. Het kleiner worden van het broed nest heeft tot gevolg dat er steeds meer bijen in het volk komen die geen eiwitrijk voedersap hoeven te produceren voor het voeden van larfjes. Daardoor kunnen deze bijen met het gegeten stuifmeel een inwendige eiwitvoorraad opbouwen in het eiwitvetlichaam met o.a. vitellogenine en worden daarmee langlevende winterbijen, die niet meer actief zijn zoals kortlevende bijen. Ze doen niet mee in het broedproces en verrichten geen taken als haalbij. Met name de bijen die in september uit de cel komen, zullen lang levende bijen worden die zes maanden kunnen leven. | ||
| + | |||
| + | De overgang van een volk met kortlevende zomerbijen naar een volk met longlevende winterbijen realiseert het bijenvolk zelf Door kon de imker niets aan te doen. Ook de volkssterkte wordt door het bijenvolk zelf bepaald. | ||
| + | De door de bijen opgebouwde honingvoorraad wordt door een imker meestal rond juli geoogst. En omdat er op de meeste plaatsen in Nederland na half juli weinig of geen nectardracht meer is terwijl de bijenvolken nog wel veel honing nodig hebben, moet de imker suiker voeren als er onvoldoende voorraad is. | ||
| + | Eind augustus zorgt de imker door het geven van grotere hoeveelheden suikerwater dat het bijenvolk een voldoende grote voorraad suiker in de raten opslaat. Bijenvolken suikerwater voeren om als voorraad voor de winter op te slaan wordt inwinteren genoemd. Het voeren gebeurt in een voerbak op het volk waaruit de bijen het suikerwater opnemen, indikken en opslaan. | ||
| + | |||
| + | ==Darren slacht== | ||
| + | In de zomermaanden zijn er nog darren in het volk zolang er een kans is dat ze met jonge koninginnen uit andere volken kunnen paren. | ||
| + | Na half augustus ruimt het bijenvolk haar darren op. | ||
| + | Die kosten in de wintermaanden alleen maar voedsel. Soms verslechtert het weer in augustus plotseling en dan reageert het bijenvolk daarop met het onmiddellijk opruimen van darren. De imker vindt ze dan dood voor de bijenwoning. | ||
| + | Dit verschijnsel wordt darrenslacht genoemd. De meeste jaren is de darrenslacht niet zo duidelijk en verdwijnen de darren geleidelijk uit het volk. | ||
| + | |||
| + | ==Stille moerwisseling== | ||
| + | In het voorjaar vertrekt de oude koningin met een zwerm uit het volk en sticht een nieuwe kolonie. Mogelijk doet ze dit in haar 2e of 3e levensjaar nog eens. Bij het ouder worden neemt haar vitaliteit af of kan ze ziek worden. Jonge koninginnen kunnen ook ziek worden of een fysiek gebrek vertonen. Als een bijenvolk niet meer 'tevreden' is over haar koningin vervangt het volk haar door een jonge koningin. Er worden daartoe twee of drie moerdoppen aangezet. Zodra daar een jonge koningin uit komt, worden de andere moerdoppen opgeruimd. De jonge koningin gaat vervolgens op bruidsvlucht en gaat daarna eitjes leggen. Het volk heeft dan twee leggende koninginnen. De oude koningin verdwijnt vanzelf. | ||
| + | |||
| + | Dit proces wordt stille moerwisseling genoemd. | ||
| + | |||
| + | De ervaring leert dat een stille moerwisseling dikwijls in augustus gebeurt, minder vaak in het vroege voorjaar.De imker merkt dit proces alleen op als hij werkt met gemerkte koninginnen. Daarom is het belangrijk de moer te merken, ook omdat ze dan makkelijker te vinden is mocht dat nodig zijn zoals bij het maken van een [[Kunstzwerm]]. | ||
| + | |||
| + | ==Broedstop== | ||
| + | De meeste bijenvolken hebben vanaf half november vrijwel geen broed meer. De verschillen tussen de volken zijn daarbij groot. Sommige volken stoppen in september al met broeden. Andere volken gaan door totdat het gaat vriezen. | ||
| + | |||
| + | De natuurlijke aanleg van de volken is daarvoor in belangrijke mate bepalend. Een bijenvolk telt bij de broedstop ongeveer 12.500 langlevende bijen, genoeg om de winterkou te door-staan en niet te veel bijen die honingvoorraden opmaken. De imker mag erop rekenen dat begin december vrijwel alle volken zijn gestopt met broeden. De volken zijn dan broedvrij. | ||
| + | |||
[[category:Imkercursus]][[category:De jaarcyclus]][[category:De jaarcyclus - Hoofdstuk 4]] | [[category:Imkercursus]][[category:De jaarcyclus]][[category:De jaarcyclus - Hoofdstuk 4]] | ||
Revision as of 21:16, 4 March 2023
Na de zwermtijd heeft zich zowel in het volk met de jonge koningin in de oude woning als in het volk met de oude koningin in de nieuwe woning, een nieuw broed nest ontwikkeld. In deze volken worden honingvoorraden aangelegd als energiebron voor de winter en blijven de bijen stuifmeel verzamelen. Kenmerkend voor deze periode (juli-november) is dan ook dat het bijenvolk niet groeit zoals het groeide in het voorjaar, ook al telt het volk veel werksters. Die verminderde groei is het gevolg van de natuurlijke aanleg samen met kortere dagen, koeler weer en minder productieve voedselbronnen. De koningin legt langzamerhand minder eitjes en darrencellen worden niet meer gebouwd en belegd. Het broed nest wordt almaar kleiner en er worden dus steeds minder jonge bijen opgekweekt. Het kleiner worden van het broed nest heeft tot gevolg dat er steeds meer bijen in het volk komen die geen eiwitrijk voedersap hoeven te produceren voor het voeden van larfjes. Daardoor kunnen deze bijen met het gegeten stuifmeel een inwendige eiwitvoorraad opbouwen in het eiwitvetlichaam met o.a. vitellogenine en worden daarmee langlevende winterbijen, die niet meer actief zijn zoals kortlevende bijen. Ze doen niet mee in het broedproces en verrichten geen taken als haalbij. Met name de bijen die in september uit de cel komen, zullen lang levende bijen worden die zes maanden kunnen leven.
De overgang van een volk met kortlevende zomerbijen naar een volk met longlevende winterbijen realiseert het bijenvolk zelf Door kon de imker niets aan te doen. Ook de volkssterkte wordt door het bijenvolk zelf bepaald. De door de bijen opgebouwde honingvoorraad wordt door een imker meestal rond juli geoogst. En omdat er op de meeste plaatsen in Nederland na half juli weinig of geen nectardracht meer is terwijl de bijenvolken nog wel veel honing nodig hebben, moet de imker suiker voeren als er onvoldoende voorraad is. Eind augustus zorgt de imker door het geven van grotere hoeveelheden suikerwater dat het bijenvolk een voldoende grote voorraad suiker in de raten opslaat. Bijenvolken suikerwater voeren om als voorraad voor de winter op te slaan wordt inwinteren genoemd. Het voeren gebeurt in een voerbak op het volk waaruit de bijen het suikerwater opnemen, indikken en opslaan.
Darren slacht
In de zomermaanden zijn er nog darren in het volk zolang er een kans is dat ze met jonge koninginnen uit andere volken kunnen paren. Na half augustus ruimt het bijenvolk haar darren op. Die kosten in de wintermaanden alleen maar voedsel. Soms verslechtert het weer in augustus plotseling en dan reageert het bijenvolk daarop met het onmiddellijk opruimen van darren. De imker vindt ze dan dood voor de bijenwoning. Dit verschijnsel wordt darrenslacht genoemd. De meeste jaren is de darrenslacht niet zo duidelijk en verdwijnen de darren geleidelijk uit het volk.
Stille moerwisseling
In het voorjaar vertrekt de oude koningin met een zwerm uit het volk en sticht een nieuwe kolonie. Mogelijk doet ze dit in haar 2e of 3e levensjaar nog eens. Bij het ouder worden neemt haar vitaliteit af of kan ze ziek worden. Jonge koninginnen kunnen ook ziek worden of een fysiek gebrek vertonen. Als een bijenvolk niet meer 'tevreden' is over haar koningin vervangt het volk haar door een jonge koningin. Er worden daartoe twee of drie moerdoppen aangezet. Zodra daar een jonge koningin uit komt, worden de andere moerdoppen opgeruimd. De jonge koningin gaat vervolgens op bruidsvlucht en gaat daarna eitjes leggen. Het volk heeft dan twee leggende koninginnen. De oude koningin verdwijnt vanzelf.
Dit proces wordt stille moerwisseling genoemd.
De ervaring leert dat een stille moerwisseling dikwijls in augustus gebeurt, minder vaak in het vroege voorjaar.De imker merkt dit proces alleen op als hij werkt met gemerkte koninginnen. Daarom is het belangrijk de moer te merken, ook omdat ze dan makkelijker te vinden is mocht dat nodig zijn zoals bij het maken van een Kunstzwerm.
Broedstop
De meeste bijenvolken hebben vanaf half november vrijwel geen broed meer. De verschillen tussen de volken zijn daarbij groot. Sommige volken stoppen in september al met broeden. Andere volken gaan door totdat het gaat vriezen.
De natuurlijke aanleg van de volken is daarvoor in belangrijke mate bepalend. Een bijenvolk telt bij de broedstop ongeveer 12.500 langlevende bijen, genoeg om de winterkou te door-staan en niet te veel bijen die honingvoorraden opmaken. De imker mag erop rekenen dat begin december vrijwel alle volken zijn gestopt met broeden. De volken zijn dan broedvrij.